
Auteur: Romke van de Kaa
Titel: De reis van de walnoot
Uitgeverij: Atlas Contact, 2026
Een sprookje? De titel lijkt het te suggereren. Maar nee, dit is een boek vol weetjes over de noot die ik mij vooral herinner van lange middagen in de kerstvakantie. De bootjes die wij daarna van de lege doppen maakten en de smaak van de noten vooral. Voor mij past die bij een snorrende kolenkachel en de warme sfeer.
Romke van de Kaa laat mij met zijn boek meereizen in zijn zoektocht naar de noot en waar die oorspronkelijk vandaan komt. Daar komt niet helemaal duidelijk een antwoord op. Toch staat er in het boek: Waar die noot vandaan komt? Uit Turkije natuurlijk. Maar Turkije bestaat nog helemaal niet zo lang. Nee, maar de Turken wel. Overal waar Turkse volkeren leven, groeien walnoten. En er zijn heel wat verschillende soorten van. Ik heb nooit iets van soorten geweten. Je hebt zwarte noten, witte noten, ijzernoten, boternoten en dan nog soorten met exotische namen als Kaman, Uygurski. De Grieken gaan nog niet zover dat ze de noot ‘de Griekse noot’ noemen, maar dat de noot uit Turkije komt? Nee, dat zul je de Grieken nooit horen zeggen. Waar zal de Persian Walnut anders vandaan komen dan uit Perzië? En als er één land is van de walnoot, dan is het wel Iran. De Romeinen noemden de walnoot niet voor niets al de Perzische noot.
Walnoten staan in de belangstelling, omdat veeboeren zich gedwongen zien zich te verdiepen in minder vervuilende bedrijfsmodellen. We hebben als mensen behoefte aan eiwitten, die we via vlees, melk en kaas binnenkrijgen. Als je nagaat dat driekwart van het landbouwareaal op de wereld gebruikt wordt voor het voeren van koeien, varkens en kippen, dan is er iets mis en dan wordt het tijd om diep na te denken. Hoog tijd om ons te verdiepen in de overgang van dierlijke naar plantaardige eiwitten. Bonen zijn ook eiwitrijk. Maar zeker de walnoot. In Frankrijk is al geëxperimenteerd of je kan leven van een notengaard van dertig à veertig hectare groot. Dat komt overeen met de gemiddelde grootte van een traditioneel agrarisch bedrijf.
Als er maar een fractie van het subsidiegeld van de destructieve melkveehouderij en gifspuitende akkerbouwers ten behoeve van de ontwikkeling van alternatieven zou worden besteed, zouden we een heel eind kunnen komen.
Ook het hout van walnotenbomen is veel geld waard. Bovendien is dat een hoogwaardig product. Vroeger werden bij voorbeeld al propellers van Spitfires van walnotenhout gemaakt.
Romke van de Kaa toont zich in zijn boek een voorstander van professionele boomgaarden en dan denkt hij vooral ook aan pecannoten die qua vorm op de walnoot lijken, maar beter smaken.
Ook valt veel voedsel te halen uit scheuten van beuk, es, linde, kornoelje om eens wat te noemen. In veel landen wordt dat al gegeten. In het oosten eten ze bamboe en hosta’s. Kortom: er is geld nodig voor onderzoek naar alternatieven in het proces van eiwittransitie. Brussel is al decennia scheutig met subsidie, maar niemand hoeft er ooit verantwoording voor af te leggen.
Laten we wakker worden, pleit Van de Kaa. Bij het lezen van zijn boek was ik klaarwakker. Het is leuk en met vaart geschreven. Romke houdt van verhalen – en zegt hij: iedere walnoot heeft zijn eigen verhaal. Alle weetjes en achtergrondverhalen in zijn boek bewijzen dat. Doe nooit te veel onderzoek, waarschuwt hij, want dan gaan verhalen verloren. En hij wil vooral niet botanisch mierenneuken, dan vergaat je het leesplezier.
Wat nodig is, is serieuze educatie, want een melkveehouder weet evenveel van walnoten als een koe van kanovaren.
De toon is gezet om serieus werk te maken van onderzoek naar fundamentele veranderingen in ons voedselsysteem. Met dit boek is daar een oproep toe gedaan in gewone mensentaal.
Kijk vooral ook naar het katern met walnootfoto’s en zie welke kunstzinnige objecten er van walnoten zijn gemaakt. Wie weet word je zelf uitgedaagd creatief aan de slag te gaan. Dat draagt naar mijn idee, op een andere manier, ook bij aan de gezondheid.
Emmy van Haastrecht
