Op een zonnige dag fiets ik met vriend Han door het buitengebied van Helmond. We volgen een bestaande route die we op de gps hebben gezet. Net als we een lofzang hebben afgestoken op de gps – ‘zo makkelijk, je weet precies waar je heen moet en je hebt alle tijd om te kletsen en om je heen te kijken’ – knijp ik in de remmen.

‘Even stoppen Han,’ zeg ik, ‘dit klopt niet.’ Ik zie dat onze gps-route rechtsaf aangeeft, over een lange oprit, achter een vrijstaand huis door. ‘Zie ik het goed?’ wijs ik, ‘volgens mij loopt daar geen pad meer, verderop lijkt er alleen maar weiland te zijn, met schaapjes.’
Als het gaat om een omleiding, versperring of wegwerkzaamheden ben ik de eerste die zegt: ‘Zullen we het gewoon proberen? Met de fiets kun je er meestal nog wel door.’ Maar als ik overtuigd ben van een fout in de route, dan ben ik er heel makkelijk in: wat niet kan, kan niet. Ik bestudeer het kaartje op mijn gps om te zien hoe we via een andere weg de route weer kunnen oppikken.
Han denkt er anders over: ‘Volgens mij kunnen we hier gewoon langs, de route zegt niet voor niets dat we hier af moeten slaan, die stuurt ons niet verkeerd. En omrijden, daar heb ik geen zin in.’ Ik zie een doodlopende weg en Han vertrouwt op de route. Allebei verdedigen we ons gelijk.
Om de discussie te stoppen vraag ik: ‘Ken je het verhaal van Jos?’ ‘Nee’. ‘Nou, Jos zag bij zijn buren, die in een boerderij wonen, vier fietsers stoppen. De vier mannen overleggen, kijken op hun telefoon en overleggen weer. Ze rammelen aan het hek dat de toegang tot het boerenerf verspert. Na enige tijd pakt een van hen zijn fiets op en tilt hem over het hek. Vervolgens draait hij zich om, om zijn fietsmaten te helpen met het overzetten van hun fiets.
Op dat moment grijpt Jos in en vraagt: ‘Zijn jullie bekenden van de familie?’ ‘Nee,’ zegt een van de fietsers verbaasd, ‘wij zijn gewoon fietsers.’ ‘Wat zijn jullie dan aan het doen, als ik vragen mag?’ ‘Wij volgen een fietsroute. De route loopt hier achter de boerderij door.’ ‘Dat lijkt me stug,’ zegt Jos, ‘want er is hier geen weg.’ De mannen geven niet op en zeggen: ‘Volgens onze route wel, die geeft duidelijk aan dat we hier verder moeten.’ Waarop Jos vraagt: ‘Wat voor route is dat dan?’ De mannen geven aan dat ze hun route op Komoot hebben gevonden en dat ze daarom weten dat er langs en achter de boerderij een pad loopt.
Maar Jos zegt: ‘Van jullie Komoot, daar klopt niks van. Dit is privéterrein. Dit hek staat er niet voor niks.’ De fietsers sputteren en houden een hardnekkig geloof in hun route en in Komoot. Jos geeft ze de tip om het een kilometer verderop maar eens te proberen. Het groepje blijft nog even twijfelen en tegenstribbelen; uiteindelijk volgen de mannen toch maar Jos’ advies op.’
Han kijkt me vragend aan. ‘Wat wil je daarmee zeggen?’ ‘Dat een route niet altijd klopt,’ zeg ik. ‘Dat geldt voor onze route ook. Wij weten toch niet hoe oud die is? Misschien was er vroeger een pad en is het nu privéterrein.’ Mijn vriend is niet overtuigd: ‘Waarom zou de route niet kloppen? Het is een bestaande en beproefde route van mijn fietsclub. Ik stel voor dat we weer opstappen en onze route gewoon vervolgen.’


Ik kijk nog even naar de schaapjes in de verte en stap op mijn fiets.
We rijden de oprit op. Na 75 meter zegt Han: ‘Vreemd. Er is geen pad, de route loopt hier dood. We moeten terug.’ Ik zeg niets.
Elli
