Als ik de grote hal van het ziekenhuis binnenloop, komen zachte pianoklanken me tegemoet. Wat heerlijk om zo te worden ontvangen op een plek waar ik liever niet wil zijn, omdat vervelende herinneringen weer tot leven komen.
Het is half twaalf in de ochtend en ik wacht op Dirk. Hij is aan het revalideren en het is niet de moeite waard om tussendoor op en neer naar huis te rijden. Ik zit in het restaurant en luister naar live pianomuziek. Dat verwacht je niet in een ziekenhuis. Die vleugel staat er gewoon. “Play me I’m yours”, staat in gouden letters op het zwarte glimmende instrument geschreven. Wat een geweldig idee. Er is vast iemand geweest die gedacht heeft: Laten we de bezoekers eens wat opvrolijken, de zorgen, onzekerheid en het verdriet even op de achtergrond laten verdwijnen met live muziek. Voor mijn gevoel is dat een gouden greep.

Gelukkig voor mij en de andere bezoekers heeft vanmorgen Hans Wieringa zich geroepen gevoeld om te spelen. Heel even voel ik een lichte spijt. Wat heerlijk om zo te kunnen spelen. Ik kom niet verder op die witte en zwarte toetsen dan ‘De Vlooienmars’. Heerlijk om te horen, die rustige melodieën.
Op dit moment klinkt het lied van Wim Sonneveld, ‘Het Dorp’. Ik wist niet dat ik het zo fijn zou vinden om naast die vleugel te zitten schrijven en zomaar wat te mijmeren. Ik vergeet even dat ik in een ziekenhuis ben waar ik zo’n weerzin tegen heb ontwikkeld. Op deze manier gaat die langzaam verdwijnen, dat voel ik. Het is nog weken wachten tot de therapie van Dirk is afgelopen en ik weet nu al zeker dat ik deze momenten ga missen. Mijmerend luister ik naar de pianoklanken terwijl ik uitkijk op de hagen buiten het gebouw en de mensen die af en aan lopen.
Ik denk aan mijn eerste ervaring met een dokter. Die is van horen zeggen en ik heb het niet bewust meegemaakt. Toen ik twee jaar oud was had ik kinkhoest. De huisarts, die altijd paraat stond als er iets met je gezondheid aan de hand was en zeker als het kinderen betrof, was er binnen een half uur. Mijn ouders hadden groot respect voor deze man. Soms was hij chic in het pak als hij rechtstreeks van een feestje of een receptie op huisbezoek kwam. Het was vreselijk om aan te zien en te horen. De hoestbuien waarbij ik rood aanliep van benauwdheid en de gierende ademteugen om te proberen nog wat lucht binnen te krijgen, waren onverdraaglijk, volgens mijn moeder. Ik ben genezen van kinkhoest, maar over de ervaring en angst die mijn ouders toen beleefden, hebben ze nog vaak verteld.
Gelukkig worden kinderen nu gevaccineerd tegen deze akelige kinderziekte.

Wat ik wel echt bewust heb meegemaakt is de opname in het ziekenhuis toen ik acht jaar was. Mijn keelamandelen moesten eruit, evenals die van mijn vierjarige tweelingbroertjes. Ik herinner me dat ik in een hele lange gang stond. Alles was wit en er hing een vreemde geur. Mijn moeder ging weg en ik bleef alleen achter, waarschijnlijk met een zuster maar dat weet ik niet meer. Mijn kleine broertjes zag ik ook niet. Ik voelde me zo alleen. Ik werd op een brancard gelegd en er was een man met een witte jas die een zwart kapje op mijn mond en neus duwde waarna het donker werd om me heen. Ik was ‘van de wereld’.
Toen ik wakker werd lag ik nog steeds op de brancard. Het voelde erg hard aan, weet ik nog en ik deed mijn best om op het kaartje te kijken dat naast mijn hoofd bungelde, om te zien wat er op stond. Het is me niet gelukt het te lezen. Ik werd overeind geholpen om te drinken: ijskoud water. Mijn keel deed vreselijk veel pijn tijdens het slikken, maar het moest. ‘Toe, nog een slokje en doorslikken. Nog een en nog een.’ De pijnlijke slikbeweging probeerde ik uit te stellen waardoor het koude vocht soms uit mijn mond over mijn kin naar beneden droop.
Toen ik op de zaal kwam was ik blij mijn broertjes te zien in hun spijlenbedjes. Ik had niets te missen maar zij leken nergens last van te hebben en zaten gezellig aan een ijsje te likken. Ik begreep er niets van. Ik kreeg ook ijsjes, waar ik normaal heel blij mee zou zijn geweest, maar nu, met mijn zere keel, helemaal niet.
Natuurlijk is dat ook allemaal goed gekomen. Maar die ervaringen als kind – en wat daar later allemaal is bijgekomen – maken dat ik niks van een ziekenhuis moet hebben.

De muziek heeft, in dit geval de pianoklanken in de hal van het ziekenhuis, een rustgevende invloed op mij in een gebouw waar ik niet wil zijn.
Willemien
