Flessenpost

Ze wreef over de knop van de oude wandelstok. Het was nog een prima stok, ook al zag je dat hij veel gebruikt was. Het mooie beukenhout was dof en de zilveren schroefdraad was zwart geoxideerd. Ze controleerde nog eens of ze de knop goed had vastgedraaid. Tevreden zette ze het ding bij de voordeur. Daarvan zou iemand nog best weleens plezier kunnen hebben.
Ze was blij dat ze eindelijk een manier had bedacht waarmee ze die rotstok kwijt kon raken.

Hij was van haar schoonvader geweest en hij gebruikte die stok niet alleen om erop te steunen. De man was in de grond geen slecht mens geweest, maar hij had een kwade dronk en hij dronk veel en overal: thuis, op zijn werk en uiteraard in de kroeg. En voor zijn wandelingetjes had hij dan nog een extra slokje opgeborgen onder de knop van zijn wandelstok. Zijn zoon, haar man, was van de weeromstuit geheelonthouder geworden.


Na de dood van zijn vader stond die stok in hun paraplubak, al die jaren. Ze was nu alweer een tijdje alleen en ongemerkt was ze in een levensfase gekomen waarin er schoon schip gemaakt moest worden. En daarvoor had ze de wandelstok nodig. Weg met dat ding. Twee vliegen in een klap. Daar hield ze van.
Maar voordat ze stap twee van haar plan kon gaan zetten, moest ze maar een kopje thee drinken en een beschuitje eten. Het was nog niet donker genoeg. Bovendien wilde ze de spanning uit haar hoofd en haar lijf weg hebben. Haar hart ging een beetje tekeer en ze zat veel te hoog in haar ademhaling. Ze voelde zich zo …ja …hoe voelde ze zich eigenlijk?

Terwijl ze in haar keuken wat redderde met water koken en een beschuitje met kaas beleggen, probeerde ze duidelijk te krijgen wat ze nou voelde. Ja, door het besluit om die wandelstok weg te doen was de oude boosheid weggezakt en dat leverde een gevoel van opluchting op. Maar ze voelde zich eigenlijk veel meer opgewonden door wat ze – verborgen ín die stok – ook de deur uit zou doen.
Ze was de laatste dagen eens flink met de bezem door haar herinneringen gegaan en daarbij gestuit op een hoop beschimmelde schaamte. Waarover in godsnaam allemaal? Daar had ze eens goed over nagedacht. Eerst waren de pekelzonden uit haar vroege jeugd naar boven gekomen: die poes die ze om een weddenschap te winnen – ze was toen een jaar of acht oud- aan zijn staart triomfantelijk boven haar hoofd had getild; het doktertje spelen ook op die leeftijd; de reep chocolade die ze van haar moeder had meegekregen voor een ziek vriendinnetje en die ze zelf had opgegeten toen dat vriendinnetje niet meer ziek bleek te zijn. Daarna kwamen de streken aan de beurt die ze in haar studententijd had uitgehaald met vriendjes: zoals toen ze met Leo naar het inauguratiefeest van haar studentenvereniging ging en uiteindelijk de volgende ochtend met Ton stond te zoenen. Hoe ze Hans inruilde voor Pieter en Pieter belazerde met Karel. Dat waren geen kinderachtige acties meer. Maar moest ze zich daar meer dan een halve eeuw later nog ongemakkelijk onder voelen? Misschien, een beetje; ze waren immers boven komen drijven.


Ze was na die vangst opnieuw in die zee van het verleden gedoken en weer boven gekomen met een paar ‘dingetjes’: die flauwe grap die ze een keer uithaalde met haar dochter met Valentijnsdag, een verwaarloosde vriendschap, een buitengaatse verliefdheid en een enorme hoeveelheid arrogante gedachten.

Haar laatste vangst was die fles dessertwijn, die ze nog niet zo heel lang geleden zonder nadenken uit de kelder had gepakt om die cadeau te geven aan vrienden bij wie ze uitgenodigd was voor het eten. Bij de overhandiging daarvan had ze zich met een schok gerealiseerd dat ze die fles van diezelfde vrienden had gekregen. Ze schaamde zich er vooral over dat ze niet meteen daarvoor uitgekomen was. Nog steeds na al die jaren kraste dat aan haar gemoedsrust. Maar aan het eind van dat gedachtenexperiment had ze besloten dat het maar eens afgelopen moest zijn, dat die ‘zonden’ allemaal onderhand toch verjaard waren. Aan het eind van haar leven had ze geen zin meer in die ongemakkelijkheid. Weg met die schaamte. Opgeruimd staat netjes.
Ja! Zo voelde zich: opgeruimd.

Met haar kopje thee en het royaal belegde beschuitje liep ze naar haar bureau voor het raam. Ze legde de beschuit op een restje van het zachtblauwe papier dat nog over was van de volgende stap van haar schoonschipmakerij. Dat vervolg had ze wel lollig gevonden. Onder in haar lade met enveloppen en postpapier uit vroeger tijden had ze nog een blok luchtpostpapier gevonden. Met een zacht potloodje had ze haar pekelzonden met steekwoorden- poes, dokter, chocolade, LTHPK, V-dag, V&V,dessertwijn, Arrogantie-  genoteerd op een stukje van dat dunne papier, dat ze vervolgens heel strak had opgerold. Dat rolletje had ze tenslotte in het geheime flesje onder de knop van de wandelstok gestopt.

Nippend van haar nog steeds hete thee zat ze aan haar bureau en zag ze voor zich hoe het nu verder moest met deze gekkigheid. Het leukste moest nog komen.
Ze had aanvankelijk het plan gehad om een kleine advertentie te plaatsen in het regionale dagblad. In de rubriek ‘Kleintjes’, had ze gezien, werd van alles aangeboden: een biljartkeu, een flinke verzameling stropdassen, oude koffers, een gouden armband, een postzegelverzameling, onafgemaakt borduurwerk, etc. Een wandelstok met geheime holte zou daar goed bij passen. Maar ze had toch ervan af gezien om die stok zo op pad te sturen. Ze wilde niet weten wie haar flessenpost zou gaan lezen en ze schrok er vooral voor terug dat die lezer zou weten wie dat papiertje in die stok had gewurmd. In de biechtstoel vroeger was het toch ook niet de bedoeling dat de biechtvader zou zien wie er uit de suikerpot had gesnoept. Ze had een veel leuker en spannender idee gekregen. Vanavond zou ze, als het donker was, een wandelingetje maken naar dat kastje met gratis meeneemspulletjes dat bij een huis een paar straten verderop stond. Rond dat kastje had ze wel vaker niet eetbare spulletjes zien staan. De wandelstok zou ze stiekem tegen het kastje aan zetten en dan rustig verder wandelen.
Ze vond het zo’n spannend idee dat ze misschien op een onverwacht moment iemand, parmantig stappend met die wandelstok, zou tegenkomen in het dorp en – nog spannender – dat iemand de knop van de stok zou schroeven en met een pincet dat papiertje met haar biecht uit het flesje zou wurmen. Die gedachte alleen al verhoogde haar hartslag.
Ze moest wat kalmeren nu. Het was ook nog niet donker genoeg. De dagen waren gelukkig weer aan het lengen.
Ze richtte haar blik op haar tuin en zag onder de struiken het winterkoninkje scharrelen op zoek naar voedsel. Die zou dadelijk met een gevuld buikje zijn slaapplekje voor de nacht opzoeken.
Ze nam nog een hap uit haar beschuitje, spoelde die weg met een flinke slok thee en stond op om haar jas aan te trekken. Het was nu wel donker genoeg.

Margreet