Naar huis

Stijf van slaapgebrek en ook van de kou zit ze in haar oude, vaalgroene Volkswagen. Met verkleumde vingers heeft ze de sleutel al in het contact gestoken, maar ze kan de moed niet opbrengen om de auto te starten. Ze moet naar huis, maar wil nog niet. Als ze nu wegrijdt, is het voorbij en dat wil ze niet. Ze wil dit afscheid van een leven voelen tot in haar haarvaten. Niet alleen zijn leven is voorbij, maar ook het leven waaraan ze twintig jaar geleden samen begonnen.

Wat waren ze jong en wat wisten ze niets. Eerstejaars groentjes waren ze, en niet alleen als student. Ze gaat in gedachten terug naar die wandeling door de nachtelijke stad; het had, net als nu, gesneeuwd. Ze herinnert zich niet meer waarover ze met elkaar praatten, wel dat ze voortdurend moesten lachen en dat ze om de haverklap stilstonden om elkaar te kussen. De sneeuwvlokken vingen ze met hun gezicht op. Het licht van de lantarens maakte de oude, besneeuwde studentenstad tot een stadje uit een door Anton Pieck geïllustreerd sprookje. Ze lieten zich meevoeren door die sfeer en gingen onder een lantaren in een verlaten park op hun rug liggen. Ze maaiden met hun armen en benen door de sneeuw en toverden zo de afdruk van twee reuzenengelen, die ze verliefd lachend achterlieten. De eeuwigheid lag voor hen en zij sprongen erin. Die eeuwigheid duurde twee maal zeven jaar.


Ze draait de sleutel om in het contact, zet de verwarming hoog en laat de ruitenwisser de voorruit schoonvegen. Het sneeuwt nog steeds heel zachtjes. Ze moet naar huis, maar kan nog niet. Ze legt haar hoofd tegen de hoofdsteun en sluit haar ogen om terug te gaan naar het moment waarop die eeuwigheid ging wankelen. Ze is weer in die septembernacht van 7 jaar geleden. De diagnose had die middag iedere zekerheid in hun leven weggeslagen en ze voelt weer hoe ze die nacht in bed lag en voortdurend het beeld van een Griekse tempel met gebarsten zuilen voor zich zag. Een dramatisch beeld. Een klassieke opleiding laat sporen na. Ze probeerde greep op een situatie te krijgen die te groot voor haar was. In de jaren die volgden werden de barsten dieper. De tempel bleef overeind maar het glanzende marmer, dat de ruwe steen bedekte, verdween. Weg met dat beeld! Laat ze nou toch gewoon toegeven dat ze niet in staat waren hun relatie goed te houden in omstandigheden die zo helemaal niet goed waren. Ze stopten al hun energie in de kinderen; de jongens moesten opgroeien in een gewoon gezin waarin moeder werkte en vader thuis was. Meer was er niet aan de hand. Ze deden gewoon, zoals alle jonge ouders, hun best. Hun strategie was: waar je niet over praat, dat is er niet. Dom. Op een gegeven moment hadden ze zolang niet met elkaar gepraat, dat ze het niet meer konden. Mijn god, wat waren ze eenzaam in hun verdriet. Nee, van die hemels glanzende eeuwigheid, waar ze zo vol vertrouwen aan begonnen waren, was niet veel meer over.

Ze voelt de tranen over haar wangen lopen, eindelijk. Ze laat de ruitenwisser nog eens zijn werk doen. Ze moet naar huis, maar ze durft nog niet. Ze moet de jongens gaan vertellen dat ze voortaan met z’n drieën verder moeten. Ze tuurt door de voorruit; de sneeuwvlokken zijn net heel kleine veertjes. Met welke woorden sluit je een leven af en kondig je een nieuw aan?

Ze start de auto en kijkt voor de laatste keer naar de deur van het ziekenhuis waar ze zojuist door naar buiten is gekomen. Op het verlaten parkeerterrein ziet ze nog vaag haar voetstappen die al bijna bedekt zijn met verse sneeuw. Ze geeft voorzichtig gas en rijdt langzaam weg. Naar huis, iets warms drinken en wachten tot de jongens wakker worden.

Margreet