Op een mooie lentedag kwam een paradijsvogel gevlogen,
helemaal van Ameland naar Sint-Oedenrode
bestemming Vogelenzang
Van drie tantes gezeten op een kanapee, heel tevree, met hun thee,
en hun voeten in de zee,
had hij gehoord over de aller allermooiste zang
op een bijzondere plek.
Gekscherend vloog de paradijsvogel over de buitenwijk van het dorp.
Bewoog zijn krachtige prachtige vleugels
en zwenkte soepel over een kasteel.
Ronde torens, rode poort,
een gracht, een brug en een park er omheen, zo groen. Mooi groen.
Een vogelparadijs.

Paden slingerden zich tussen de boomstammen
en wezen de paradijsvogel een pad naar een kleine kapel.
Rust op het dak
om uit te vogelen waar hij nu de Rooise Vogelenzang kon vinden.
Hij luisterde,
maar …
het was er stil, zo stil …
Tot plots, hij hoorde – echt heel dichtbij – de Wielewaal
‘Kom mee naar buiten allemaal’
‘Dudeljo’ klonk zijn lied
‘dudeljo’ en anders niet.
De paradijsvogel spreidde zijn vleugels
In zweefvlucht over huizen
Scheerde door straten
leeuwerik, kwikstaart, zwaluw, grutto, geelgors, meerkoet
en … ook nog de nachtegaal.
Goed voor de mooiste zang van allemaal.
Een postduif bracht de drie tantes op Ameland een bericht:
‘Paradijs gevonden.
Vogels zijn hier nog niet gevlogen.
Wees gerust. Er is nog hoop.
En … overkomst van harte gewenst!’
Ineke
