In de rij

‘Bakker Vincent zit meteen als je de deur uit gaat, links; echt een aanrader’. Dat zinnetje staat in de ‘praktische tips’ die we krijgen van onze verhuurder van ons vakantiehuisje in Crotoy, een voormalig vissersplaatsje aan de Franse Opaalkust. Het maakt ons blij. We verheugen ons al op een echt Frans ontbijtje. Zo’n krakend vers stokbrood van Vincent dat we even ‘snel’ iedere ochtend bij deze bijna-buurman zullen bestellen.

De eerste ochtend gaat Henk op pad om een baguette en pains au cocholat te halen. Als hij het geurende brood op tafel legt, zegt hij: ‘Een populair bakkertje, die Vincent. Ik moest in de rij aanschuiven. En die rij groeit steeds aan.’ Nieuwsgierig geworden open ik de voordeur en kijk naar links: inderdaad, in de miezerregen staat een tiental mensen geduldig te wachten op hun beurt om het winkeltje binnen te kunnen gaan. Het triggert me. ‘Ik ga morgen brood halen,’ zeg ik.

De volgende ochtend sluit ik aan in de rij. Veel Franse toeristen, allemaal geduldig op hun beurt wachtend om stokbroden te mogen kopen. Ik sta tussen de mannen in korte broek, vrouwen in sportief jack, vaders met kinderen, echtparen die hun hond hebben meegenomen. Het lijkt wel of iedereen per se hier wil zijn. Niet bij de bakker een eindje verderop, maar hier, bij Vincent. Iedereen neemt uitgebreid de tijd. Niemand heeft haast. Ook de dames die in de winkel aan het helpen zijn, doen het kalmpjes aan.

De traag slinkende rij is op een rommelige manier ordelijk. Er gaat rust vanuit en er hangt een gemoedelijke sfeer. De mensen die met hun ‘buit’ de winkel verlaten, lijken stuk voor stuk voldaan, een ervaring rijker.

En de volgende dagen sta ik opnieuw in de rij. Ik raak besmet met een voor mij onbekend ‘heerlijk-staan-wachten-virus’. Ik geniet van het gezamenlijk schuifelen richting het kleine winkeltje, van het Franse gekeuvel om me heen. De rij is een goed begin van mijn dag. De zon gaat schijnen, weer of geen weer. Bij ieder stapje voorwaarts voel ik een verwachtingsvolle opwinding, totdat ik bij de toonbank sta en een van de winkelmedewerkers vriendelijk vraagt wat ik wil. Eigenlijk voelt die vraag een beetje als anti-climax. Ik moet de neiging onderdrukken om te zeggen: ‘Tja wat zou ik nog willen? Ik ben eigenlijk al helemaal tevreden, want ik mocht in deze rij staan.’ Dan geef ik toch maar mijn bestelling op.

Vreemd is het wel. In Nederland mijd ik alle rijen. Als er ergens een rij staat, draai ik om. Ik kom dan later wel terug of ga ergens anders heen. Maar hier wil ik heel graag in de rij staan. Wat zegt dit over mij?
Ik moet even slikken. Als ik het in-de-rij-staan al zie als een leuk uitje, dan is het best wel erg met me gesteld. Dan heb ik een heel saai leven. Dan maak ik toch echt te weinig mee. Moet ik me zorgen maken?
Om mezelf wat op te beuren, houd ik het erop dat ik op vakantie net wat relaxter aan de dag begin en wat meer tijd heb om stil te staan. Dat vind ik al een acceptabele verklaring. Maar het is niet genoeg om mijn zorgen weg te denken. Dus om het echt goed te praten voeg ik er nog een andere uitleg aan toe: ik sta hier als ‘reiziger’ in de rij om de authentieke sfeer van een andere wereld te proeven. Mooi bedacht, toch? Als ik het zo zeg, wordt het meteen een ervaring om te benijden.

Eenmaal thuis denk ik met weemoed terug aan het leuke plaatsje, onze ontspannen fietstochten, de kakelverse baguettes en de overheerlijke chocoladecroissants. Gek genoeg mis ik de rij niet.

Elli