Een kind met een blauwe luchtballon

De zon scheen uitbundig. Madeliefjes versierden de strook gras voor de rij doorzonwoningen in onze straat. En ome Riesch was er. Oom Richard – zoals hij voluit heette – was een kleine, kale man met een gouden brilletje en een dikke buik waar hij voortdurend met zijn mollige handjes over wreef. Een gezellige baas. Hij was de broer van onze buurvrouw en woonde in Gelderland. Ieder jaar, als er in zijn dorp kermis was, werd hij naar zijn zuster in het oerdegelijke Den Haag gestuurd. Kermis was te gevaarlijk voor hem, want hij lustte iets te graag een biertje. Ooit was hij daardoor in een vechtpartij beland en die schande wilde de familie niet nog een keer meemaken.
Voor ons kinderen in de straat was het kermis als ome Riesch er was.
‘Acht dagen; Riesch komt acht dagen,’ kondigde onze buurvrouw al lang van tevoren opgewonden aan. Wij zouden zeggen dat hij een weekje kwam, maar acht dagen…. Uit haar mond klonk het als een eeuwigheid.
‘Stel je voor, ik moet al die dagen op hem passen en ook nog voor zijn natje en droogje zorgen. Ga er maar aan staan.’

Wij vonden alles best, als zij hem ’s middags na schooltijd maar vrij liet. Dan begon voor ons het feest. Ome Riesch, die geld overhield, omdat hij geen biertjes hoefde te kopen, wilde zijn guldens toch laten rollen. Dus werden wij soms op een rolletje drop uit de automaat getrakteerd. Alleen zo’n rolletje mogen trekken, was al een feest op zich: het muntje in de gleuf … ssst … wachten tot je het had horen vallen, dan het laatje pas opentrekken. Het luisterde allemaal heel nauw. Als je het te snel wilde doen, liep het mechaniek vast.

Hij kocht ook wel eens voor ieder een banaan bij de groenteboer.
De vreugde groeide ons pas echt boven het hoofd, als de ijscoman luid bellend onze straat in reed. Die scheen ieder jaar te weten dat ome Riesch bij zijn zuster logeerde. Dan trakteerde ome Riesch ons op zo’n hoorntje met wel twee gulle bolletjes. Acht dagen lang speelde ome Riesch voor de baas van Luilekkerland. En onze moeders mopperden niet eens dat we schandelijk verwend werden.

Het was een goeierd, onze ome Riesch. Als de dag van zijn terugkeer naar Gelderland was aangebroken, pakte hij nog één keer uit. Hij nam ons mee naar de speelgoedwinkel op de Laan. Daar kocht hij een zak luchtballonnen en mochten we een kleur kiezen. Ik wilde altijd een blauwe, mijn lievelingskleur. Ome Riesch blies ze met bolle wangen op en overhandigde je je ballon, die door de winkelier was voorzien van een metalen draadje, dat met zo’n krulletje om het tuitje zat.
Daar gingen we: een sliert van wel tien kinderen; een feestelijk huppelende stoet met dansende ballonen.

Altijd ook even bij Wouter langs, onze buurjongen die nooit buiten kwam, omdat hij ziek was en geen ijsjes of snoep mocht eten. Hij lag in zijn bed voor het raam. Ome Riesch zorgde ervoor dat we met onze traktaties bij Wouter op de vensterbank en in zijn voortuin gingen zitten, omdat de jongen er ook bij hoorde. Door een kier in de deur gaf ome Riesch op de laatste ochtend ook een ballon voor Wouter af. De stralende lach in Wouters in-en-in witte gezicht, als hij daar met zijn rode ballon zwaaide, zal ik nooit vergeten.


Honderd maal dank, ome Riesch.
Altijd als er nu ergens kermis is, moet ik aan je denken. En aan Wouter. Aan de straat waar ik geboren ben, waar iedereen iedereen kende. Aan die kinderen met dropjes en ijsjes. Aan de blauwe ballon van het blije kind dat ik was.
Ik kan wel zingen.

Emmy