Koos


Ik vlij me dicht tegen je aan in het grote bed. Mijn wang tegen je harige borst. Jij fluistert in mijn oor dat je altijd bij me bent en ik geloof je op je woord, want je hebt me nooit teleurgesteld. Je bent er gewoon. Hete tranen heb ik gehuild toen je niet mee mocht. Hoe kon ik blij zijn op reis als jij er niet was? Niemand leek naar mijn gejammer te luisteren. Al zag ik wel dat sommigen stiekem naar elkaar lachten.


De avond voor we met de trein op reis gingen, scheen de maan veelbelovend. Ik knipoogde naar het mannetje voor ik in slaap viel. ‘Blijf jij dan in elk geval bij me?’


Opgewonden kwam ik de volgende morgen mijn bed uit, want toen ik mijn ogen eenmaal open had, wist ik het meteen weer van die trein en ook herinnerde ik me direct dat ik jou een hele tijd niet zou zien. Ik had niet eens afscheid van je kunnen nemen. Waar was je nou ineens gebleven? ‘Een lange reis,’ hadden ze gezegd. ‘We moeten een paar keer overstappen. Dan zijn we pas bij het huis. Weet je wel? Dat huis waarover we je verteld hebben, in een ander land?’ Ja ik wist het nog. Een huis in een straat die zwart zag van kolengruis en aan een rivier lag. Ik was verschrikkelijk benieuwd. Het klonk spannend en ik wilde er zo verschrikkelijk graag met jou over praten, maar je was in geen velden of wegen te bekennen. Waar was je toch gebleven?
‘Onderweg moet je niets meenemen. Dat kan alleen maar zoekraken,’ zei mijn moeder. ‘Kijk, al onze spulletjes zitten in die grote koffers. Het is al zo’n gesjouw. In de groene tas zitten onze boterhammen voor onderweg. Die wordt vanzelf lichter.’
Nou, ik zou daar niet aan meehelpen. Van de kriebels kon ik nu al geen hap door mijn keel krijgen. Mijn bord bleef onaangeroerd. ‘Toe, eet nou wat, een paar hapjes maar,’ drongen ze aan. ‘Ach, het zal wel Reisefieber zijn.’ Domkoppen, dacht ik, Koos is er niet. Ik kan niet zonder Koos. Wat Reisefieber was, wist ik niet eens. In elk geval geen Koos. Niet mijn Koos aan wie ik zou kunnen vragen wat al die woorden in een vreemde taal betekenden.  En dat was allemaal hun schuld. Waar was je nou?


Toen we eenmaal onderweg waren, vergat ik je een beetje, want er was ook zoveel te zien. En alles rook anders, een beetje vettig, ik weet niet. En er was zoveel geluid van roepende stemmen, snerpende fluitjes, dichtklappende deuren, ratelende wielen op de rails. Het oorverdovende lawaai als de trein over een spoorbrug reed. Ik werd daar bang van.

Ik kwam ogen en oren tekort. De velden die ik door het raam voorbij zag flitsen, soms heel even een koe, of was het een paard? Daar kon ik niet heel erg lang naar kijken, dan werd ik draaierig.

Op zeker moment kwam er een man met een enorme pet onze coupé in. De trein had net een heel tijdje stilgestaan. Hij trok een gek gezicht naar mij en vroeg iets. Ik begreep er niks van. Daarna keek hij ernstig in de kleine blauwe boekjes, die mijn vader hem aanreikte, even later knikte hij en groette ons door aan de klep van zijn pet te tikken. Mijn vader zuchtte. ‘Nou, de volgende is vast net zo aardig als deze,’ veronderstelde mijn moeder. ‘Ik hoop dat je gelijk hebt, want ik moet er niet aan denken dat ik koffers open moet gaan maken.’ Waarom dat zou moeten, daar had ik geen flauw idee van.

Maar het moest wel. Het was helemaal geen aardige man. Hij snauwde: ‘Öffne Sie den Koffer.’ Hij wees op de grootste. Ik snapte dat die open moest. Onder het deksel zag ik een stapeltje kleren van ons, daartussen zaten een paar pakken koffie en een kistje sigaren. Mijn vader hield zijn adem in. De beambte keek er overheen. Dat kwam door jou, denk ik, want daar in een hoekje naast mijn dikke trui, zag ik jouw lieve gezicht. Nu hield ik ook mijn adem in. De man in het uniform ging de coupé weer uit. Toen durfde ik het te zeggen: ‘Ik zag Koos. Hij mocht toch mee.’ Ik zuchtte. ‘Is er nog een boterham?’ vroeg ik aan mijn moeder. Ze gaf me zo’n lekkere dikke witte met speculaas ertussen.

Nog één keer moesten we overstappen. Het was een klein perron met uitzicht op een rij huizen zonder dak en alle ramen kapot. ‘Kriegsschaden,’ zei mijn moeder. Het woord Krieg kende ik wel, dat zeiden ze thuis wel vaker. Nu zag ik voor m’n neus wat een afschuwelijk lelijk woord het was. Er kwam een rimpel in mijn voorhoofd. Mijn vader zag het. ‘De oorlog is echt voorbij, hoor, meiske.’ Ik werd alweer afgeleid, want daar kwam een echte stoomlocomotief aan. Wat een kabaal.  Zou Koos dat nu ook kunnen horen? Ja, dat moest wel, anders was je stokdoof. Wat een herrie.

Op harde houten bankjes zaten we naast elkaar in de wagon en we slingerden naar het station van de stad waar opa en oma woonden. Ik werd er een beetje misselijk van. Gelukkig was het maar een kort stukje. Bij het kleine stationsgebouw zag ik een groepje mensen staan. Ze begonnen naar ons te zwaaien.  Een paar sterke armen tilden mij van de treeplank. ‘Ah, guck doch mal, die Kinder.’  We werden allemaal  geknuffeld zoals we nog nooit waren geknuffeld.

Met mijn moeder en vader en alle bagage in een taxi reed ik naar de straat waar ‘oma Duitsland’ ons opwachtte. Weer knuffels en zoenen en tranen. Ook van mijn tante. Zij was een zus van mijn moeder. ‘Tante Ursl’, zeiden wij. Ze stond te dansen en te springen en ze lachte en huilde tegelijk. Wat een vreemd huis, behang op het plafond, en wat een rare luchtjes uit de potten en pannen op het kolenfornuis in de keuken en wat was oma oud en gerimpeld en opa was broodmager.


Alle anderen arriveerden een hele tijd later. Zij hadden het hele eind moeten lopen. Ik had al gezien waar ik zou slapen die nacht. Een heel groot bed. Het vulde een  zaal van een kamer. We zouden er met z’n zevenen met gemak in passen. Mijn vader klikte de grootste koffer open en legde Koos op het donzen kussen. Mijn plekje.



Ik kroop er meteen naast. Wat was alles lekker zacht.

Ik vlij me dicht tegen je aan. ‘We zijn weer samen, Koos,’ zeg ik zacht in je grote oor.
‘Koos is jouw beste vriend, hè meis? Kom je zo beneden als jullie uitgesmoesd zijn? De vakantie in Duitsland is begonnen.’
Ik hoor mijn vader de krakende trap naar beneden gaan.
Je harige borst tegen mijn wang. Ik word er soezig van. Innig verstrengeld sukkelen we in slaap. Met jou, Koos, zal ik het wel overleven. Jij bent de allerliefste van de hele wereld.  

Emmy