Het is herfst en ik ben druk bezig om mijn tuin winterklaar te maken. Lekker mijn oude kloffie aan en een paar klompen aan mijn voeten. Ik denk terug aan de voorbije zomermaanden. Wat heb ik genoten van mijn geurende paarse lavendel, de witte Annabelle struiken en de trosroosjes in teer roze.
Nu is mijn tuin saai en kleurloos. Al die maanden tot de volgende zomer valt er weinig kijkgenot te beleven. Ik heb het erover met een vriendin: ‘Waarom zet je geen voorjaarsbollen? Zo kun je de tijd naar je zomergoed overbruggen. Dat wordt genieten, dat voorspel ik je.’ Kort daarna ga ik inkopen doen bij een tuincentrum. Ik weet wat ik wil: lage bloemen in blauw, geel en wit. Ik kom thuis met blauwe druifjes, narcissen tete à tete en sneeuwklokjes. De afbeeldingen op de gazige netjes zijn veelbelovend.

Op een droge dag hijs ik me weer in mijn tuinkleren en ga aan het werk. De aarde is vochtig, de wind is guur, maar vandaag moet het gebeuren. Het wordt afzien voor mijn knieën en mijn rug, toch houd ik vol. In mijn tuinschrift maak ik ijverig aantekeningen waar ik wat heb gepoot. De bollen maken het me niet gemakkelijk. De ene soort wil maar zes centimeter de grond in, een ander prefereert een laag van wel acht of tien centimeter aarde boven op zijn bolletje. Ik heb een ouwe duimstok bij de hand, om aan al hun wensen te voldoen. Iedereen die langs komt met hond of kinderwagen moedigt me aan. ‘Goed bezig buurvrouw, ik kom in de lente nog eens kijken hoe het erbij staat.’ Terwijl ik even mijn rug strek, bedank ik de voorbijgangers.
Dan komt de winter met veel regen, een enkele sneeuwbui en vorst aan de grond. Voorlopig geen spriet te bekennen. Geduld is een schone zaak, spreek ik mezelf toe. En dan half februari komt het eerste groen tevoorschijn. Een paar dagen later geschiedt er een wondertje: het eerste sneeuwklokje laat zich zien. Mijn hart maakt een sprongetje. De lente is in aantocht.

De rest van de week schijnt de zon warm op mijn terras. Ik neem een tuinstoel om dit piepkleine bloemetje eens goed te bekijken. Het witte kopje hangt wat deemoedig naar beneden en staat fragiel op een dun steeltje. Twee bladeren, wel erg groot voor zo’n mini klokje, komen dicht bij de grond te voorschijn. Dan kniel ik bij haar neer en spreek het sneeuwklokje bewonderend toe:
Je oogt zo bleek en breekbaar
Je bent zo fragiel, zo tenger en broos
Maar ik vind je stoer en dapper
Heel blij met je komst, hartelijk welkom in mijn tuin
Ieder jaar zie ik je graag weer terug
Nelleke