Nu is het Later van Toen

Het is stil in onze kringloopwinkel en ik kan het me dus permitteren om op m’n krukje achter de kassa zachtjes te wennen aan de nieuwe dag. Terwijl ik een beetje soezerig zit te wachten op de eerste klant, zie ik haar binnenkomen. Een wat oudere vrouw met stevige wandelschoenen, knalrode lippenstift, een fikse bos woest, grijs haar en een door de kou rood geworden neus.

Ze kijkt over haar beslagen bril wat zoekend rond, loopt langzaam speurend langs het servies, pakt eens een bordje op om aan de onderkant te kijken, rommelt wat in de bakken bestek en bekijkt daarna met een scheef hoofd de boekenvoorraad. Ik weet niet wie ze is, maar ik ken haar onderhand wel. Ze komt hier vrijwel wekelijks poolshoogte nemen, vindt ook altijd wel wat om mee naar huis te nemen, maar ze wekt altijd de indruk of het de eerste keer is. Nu is ze bij de bakken met oude grammofoonplaten beland en ik zie dat ze er eens echt voor gaat staan.

Ze schuift haar bril op zijn plek en geconcentreerd snuffelt ze door de voorraad beduimelde en vergeelde hoezen. Zal er wat voor haar tussen zitten? Opeens zie ik dat ze haar rug recht. Ze heeft blijkbaar beet en jawel, ze vist er twee platen uit. Uitvoerig bekijkt ze de hoezen, leest de achterkanten en haalt dan voorzichtig de platen tevoorschijn om te kijken of er geen krassen op zitten. Het duurt even, maar dan zie ik haar zachtjes knikken en komt ze met een tevreden grijns naar me toe om af te rekenen.
Ik kan het niet laten en vraag of de vangst voor haar een bijzondere betekenis heeft. Verheugd omdat ze met iemand haar plezier kan delen, pakt ze de eerste plaat waarop liedjes staan gezongen door Wieteke van Dort.

‘Het gaat me eigenlijk maar om één nummer,’ zegt ze met een glimlach die de lijnen in haar gezicht verzacht. ‘Nina Bobo, dat zong mijn vader altijd als hij ons naar bed bracht. Het is een Indonesisch slaapliedje en hij zong dat voor mij, voor mijn broertjes en zusjes en later voor zijn kleinkinderen. Als ik dat liedje hoor, voel ik mijn vader zo dichtbij dat ik mijn hoofd tegen zijn borst wil leggen. Ik hoor zijn stem zachtjes in m’n oor en dan staat de tijd heel eventjes stil.’

Ik schrik een beetje van haar ontroerende antwoord en duik snel onder de toonbank om een zak te zoeken waarin ik haar aankoop mee kan geven. Als ik weer opduik, zie ik dat de vrouw de andere plaat, een plaat van Doris Day, met lichtjes in haar ogen bekijkt. Omdat er geen andere klanten zijn en ik de tijd heb, vraag ik haar waarom ze Doris Day mee wil nemen. ‘Och, dat is een heel ander verhaal,’ zegt ze zacht. Terwijl ze dat zegt, zie ik dat ze ‘wegdrijft’ naar een heel andere werkelijkheid.


‘Heel veel jaren geleden werd ik op een warme namiddag gebeld door een goede vriend – jaren later werd hij de liefde van m’n leven – die zei dat ik eventjes moest luisteren. Hij had een accordeon gekocht en wilde me laten horen wat hij daar op kon spelen. Toen speelde hij voor mij Que sera sera, whatever will be will be en hing weer op.’ Ze zwijgt en dan stapt ze uit die warme zomermiddag van toen terug in deze koude winterochtend en alsof ze een gedachte afrondt, zegt ze: ‘Que sera, sera? Wat weet je nu eigenlijk als je jong ‘bent?’ Als ze ziet, dat ik haar vragend aankijk voegt ze eraan toe: ‘Nu weet ik het antwoord op die vraag wel.’

Ik weet niet goed hoe ik moet reageren. Ik hoor veel meer dan ze zegt, maar durf niet verder te vragen en sla maar gauw op de kassa het bedrag aan dat ze mij moet betalen.
De vrouw merkt mijn verlegenheid niet, betaalt, pakt de plastic zak met haar vondst van mij over en loopt, haar portemonnee in haar jaszak proppend, naar de uitgang.
Vlak voor ze de kou weer instapt, draait ze zich nog even om: ‘Nu ga ik thuis eerst Que sera sera draaien,
daarna Nina Bobo
en daarna…
tel ik mijn zegeningen.’

Margreet