Donderdag 19 maart 2026
Lieve Kees,
Gisteravond heb ik het kistje met mijn brieven aan jou mee naar huis genomen. Het zit vol; ik schat zo’n 300 brieven. Ik ga ze op m’n gemak eens doorkijken en een enkele nog eens lezen. Daarna doe ik er een touwtje omheen en bewaar ik ze hier thuis.

Ze liggen mooi op datum en ik heb al gezien dat geen enkel nietje eruit is gehaald. Lieverd, als het tot je doorgedrongen was dat ik iedere brief beveiligde met twee nietjes, had je vast moeten lachen om die voorzichtigheid. Nou, lach er maar om; dat jij ze niet kan lezen wil niet zeggen dat anderen ze mogen lezen. Het zijn brieven aan jou en aan niemand anders.
In deze brieven ben ik helemaal eerlijk over wat ik meemaak en voel en het is niet altijd fraai wat ik denk, voel en wat ik kwijt wil, kwijt moet bij jou. Hoewel… ik denk nu weleens, dat het goed zou zijn geweest als anderen ook hadden geweten wat er in mij omging. Al die jaren dat je nu al in Rodenborg zit en steeds verder van de werkelijkheid bent afgedreven en verdwenen in een wereld waarvan ik geen idee heb. Wat weten buitenstaanders nu van wat jij en ik meemaken, ze kunnen zich geen voorstelling maken van het verdriet, de boosheid, de jaloezie, de wanhoop, maar ook van de veerkracht. Ze hebben geen idee hoe de liefde verandert in liefdevolle trouw, dat herinneringen niet alleen troost bieden maar ook pijn kunnen doen. In deze brieven kon ik dat allemaal kwijt bij jou.
Voor ik ze wegstop onder in de linnenkast – of misschien gooi ik ze wel weg ? – lees ik er nog een paar. Ik breng straks het kistje weer mee voor een nieuwe serie brieven. Ik raak met jou nooit uitgepraat en ik heb je vast heel wat te vertellen de komende tijd.
—–
Ik heb net brief nummer één gelezen; die heb ik je geschreven op de ochtend nadat ik voor het eerst zonder jou in ons bed lag. Ik was aan jouw kant gaan liggen, omdat ik hoopte dat dan de leegte aan die kant niet zou opvallen. Ik vertel je dat ik niet in slaap had kunnen komen van de kou en uiteindelijk een extra dekbed ben gaan pakken van het bed van onze Joris. En dat ik zo had moeten huilen, omdat ik mijn voeten nooit meer kon warmen tussen jouw benen. – Dat je dat toch al die jaren hebt gepikt, die ijskoude klompjes van me. – Ik lees hoe ik van plan ben om een elektrische deken aan te schaffen en bedsokken. Dat heb ik inderdaad al heel snel gedaan; ik ben praktisch, dat weet je. Verder beschrijf ik je hoe ik die ochtend heel lang ben blijven liggen, omdat ik niks had waarvoor ik er uit moest komen. Heel opgewekt, maar terwijl de tranen over mijn wangen liepen, beëindig ik die eerste brief met: ‘Er zijn vast ook wel positieve kanten aan deze situatie. Dag lieverd, tot zo.’


Ik herinner me als de dag van gisteren dat ik daarna vol goede moed voor het eerst naar Rodenborg liep met mijn tasje met een boek en haakspullen. Ik had het plan opgevat om een deken voor jou te haken. Dat is bij een plan gebleven: die meiden van ZorgenZo schakelden me meteen in bij jouw verzorging. Ik zie me nog die eerste brief – met datum en nietjes – op jouw nachtkastje leggen. Het kistje kwam pas na een paar brieven.
‘Dag lieverd, tot zo.’ Die laatste vier woorden hebben al die jaren overleefd. Er zitten veel brieven tussen met doorgelopen inktvlekken en ook brieven met alleen maar ‘Lieve Kees’ en ‘Dag lieverd, tot zo.’ Ik heb nu een brief in mijn hand met alleen maar zwart doorgekraste woorden: ik was het eerste jaar van jouw verblijf in Rodenborg vaak zo kwaad; ik vond het zo oneerlijk. Die machteloze woede reageerde ik af met het verscheuren van oude handdoeken en met godverdegodvers op het papier smijten en die dan weer woest doorkrassen. Gelukkig is die fase min of meer voorbij. Min of meer. De laatste tijd meer, maar daarover schrijf ik je dadelijk. Er zitten ook veel brieven tussen waarin ik vertel over wat we allemaal hebben meegemaakt samen, over onze kinderen. De brieven met vlekken gaan trouwens vaak over familie en vrienden, over hoe de een na de ander afhaakt. Daarover was ik boos en verdrietig, maar ik begreep het ook wel. In het begin zijn ze je nog weleens komen opzoeken, maar aan jou hadden ze niets en met mij praten en lachen terwijl jij daar maar een beetje zat te zitten, vonden ze behoorlijk ongemakkelijk. Dus na een, hooguit twee keer hielden ze het wel voor gezien. De eenzaamheid die me dat opleverde was heel moeilijk te verdragen. Maar er waren ook uitzonderingen, hè. Vriend Maarten en broer Adriaan komen nog steeds trouw iedere week. Zij nemen je ook mee in de rolstoel om ergens op een terras op de markt gebakjes of ijs te eten.
Als ik door de stapel ga, zie ik dat ik geen vaste dag heb gehad om je te schrijven. Ik schreef wanneer ik er behoefte aan had. Ik schat dat ik grofweg twee keer per week een brief in het kistje heb gestopt; het eerste jaar soms wel drie per week en het laatste jaar minder vaak. Het klinkt hard, maar het cliché klopt: alles went. De diepe wanhoop, het vlijmscherpe verdriet en de zinloze kwaadheid van het eerste jaar gingen over. Het gemis is gebleven.

Ik heb je geschreven hoe ik mijn nieuwe leven weer een beetje op de rails kreeg. Ik zie hoe er heel langzaam wat acceptatie kwam; ik moest er maar wat van zien te maken. Iedere dag hield ik me voor: het is wat het is en niet anders en vooruit met de geit. De ondertoon van mijn leven was gemis en verdriet, maar de boventoon was genieten van wat er nog wel was.
Maar mijn laatste brieven zijn vrolijker. En Kees, ik ga jou nu vertellen in deze brief waarom dat zo is en morgen, als ik je in de ochtend kom helpen bij het ontbijt en het aankleden, vertel ik het je nog een keer.
Lieve Kees, een tijdje geleden heb ik iemand heb gevonden, die het leven weer lollig voor me maakt. Ik heb over het prille begin van deze relatie jou nog niks willen vertellen. Stel dat het een ‘dooie mus’ was geweest. Ik denk ook, dat ik toch, ondanks alles, het wel moeilijk en ingewikkeld vond. Ik moest zelf ook wennen aan deze stap en ik wilde sterk in mijn schoenen staan, voordat ik er mee naar buiten kwam. En daarbij wilde ik in de eerste plaat Joris en Emma aan mijn zijde hebben staan. De reactie van Joris en Emma verschilde nogal en dat verbaasde me niet. Joris deed natuurlijk niet moeilijk en Emma moest wel even flink slikken. Ze keek me aan alsof ik had verteld weer in god te geloven en bij een of andere kloosterorde mijn intrede wilde doen of zoiets absurds. Dat snapte ik wel en ik heb haar met rust gelaten. Toen ze mij vroeg, hoe ik in godsnaam op het idee was gekomen om een account aan te maken op een datingsite, luisterde ze goed naar wat ik te vertellen had en ze begreep me. Uiteindelijk gunnen ze me nu allebei van harte deze vreugde.
Nu is dat achter de rug en dus lieve Kees, nogmaals: er is weer iemand in mijn leven die me met verlangen doet uitkijken naar de volgende dag. Hij heet Lodewijk. Je kent hem niet, want ik heb hem gevonden op een datingsite voor ouderen. Hij is weduwnaar met drie kinderen en werkte tot zijn pensioen bij de gemeente Den Bosch als stedenbouwkundige.

Heel belangrijk: Lodewijk heeft gevoel voor humor en ik kan met hem praten over wat ik in de krant lees en over boeken en poëzie. Gelukkig houdt hij niet van wandelen want je weet: ik wandel het liefst alleen. Ook heel prettig is, dat hij niet meteen vadertje en moedertje wil spelen. Ik wil een eigen leven houden. Maar ik logeer graag af en toe bij hem in Den Bosch en Lodewijk blijft regelmatig bij mij slapen. Daarom heb ik ook ons oude bed van 140 breed ingeruild voor een bed van 180 breed: op mijn leeftijd heb ik wat meer ruimte voor mezelf nodig als ik slaap en ik vind het geen fijn idee om met hem in hetzelfde bed te slapen als waarin wij.
Lieve Kees, ik neem Lodewijk binnenkort mee naar Rodenborg. Ik wil dat hij jou ontmoet. Ik wil dat hij weet met wie ik mijn leven 51 jaar heb gedeeld en waar ik de helft van mijn tijd rondhang. En ook omdat ik met hem wil kunnen praten over mijn zorgen die met jou en jouw verblijf in Rodenborg samenhangen.
Als ik met Lodewijk bij jou ben geweest, schrijf ik een mail naar onze familie en vrienden over deze nieuwe ontwikkeling. Ik merk wel wat zij ervan vinden.
Lieve Kees, jij hoort bij mij en ik hoor bij jou en de helft van mijn leven zal ik met jou in Rodenborg doorbrengen. Maar in de andere helft heb ik nu een vriend die voor mij heel veel een stuk leuker maakt.
Het is wat het is en niet anders.
Deze woorden heb ik zo vaak gebruikt in mijn brieven aan jou de afgelopen jaren, maar nu voel ik een glimlach als ik ze neerschrijf.
Ik ga nu mijn spullen pakken, jas nog even twee nietjes door deze brief en wandel naar Rodenborg. Het is vandaag heerlijk zonnig. Het is weer lente.
Dag lieverd, tot zo.
Margreet
