Zwevende expositie

Ze schuift de glasgordijnen een stukje open. Zo, nu kan ze naar buiten kijken vanuit haar leunstoel. Een kopje thee. Een tafeltje met daarop pen en papier binnen handbereik. Ze werpt een blik op Harry’s foto en is klaar voor de dag.

Het zal een dag worden als alle andere. Misschien dat Sammy nog even binnen zal lopen. Maar zeker is dat niet. Het zij zo. Ze heeft zich al lang met haar eenzaamheid verzoend.

Het was Sammy die haar aanspoorde een bezigheid te zoeken en niet alleen maar tv te kijken en naar buiten te staren. ‘Van staren en maren komt misbaren,’ had hij gezegd. Hij had – alweer zo’n zes jaar geleden – een weekagenda voor haar meegebracht. ‘Kijk eens, dit is echt iets voor jou; voor noppes gekregen. Papier fleurt je dag. Jij kan nu opschrijven wat er vandaag zoal gebeurt, buiten en binnen. En morgen ook. Dan zul je zien, heel veel kleine dingen maken je dag groot.’

Een pen had hij in haar keukenla gevonden. ‘Nu heb je alles om je wereld vast te leggen. En je weet: wat je geschreven hebt dat is geschreven en dat blijft geschreven.’

Aarzelend had ze zich eraan over gegeven, maar al snel vond ze het een leuk tijdverdrijf. In het begin had ze heel zorgvuldig op de juiste dag van de week de dingen die ze zag, opgeschreven, met tijdstip en al. Later had het haar niet zoveel uitgemaakt, waar ze wat noteerde. Ze schreef op de voor- of achterkant van een oude of nieuwe kalender of gewoon op een los stukje papier.


Ze vond het onzin om papier te kopen voor haar hobby. Ze gebruikte de enveloppen die in de brievenbus vielen, folders, rekeningen en kassabonnetjes. Sammy nam ook wel eens stukjes papier of een pen voor haar mee. ‘Als jij niet naar het papier komt, komt het papier naar jou,’ lachte hij dan. Het gevolg van haar dagelijkse bezigheid was dat er inmiddels een hele stapel kalenders, vellen en vodjes op haar tafel lagen. Sammy vond het altijd leuk om in die wispelturige papierberg te snuffelen en hij las haar graag voor ‘uit haar eigen werk’. Als er dan losse velletjes van tafel dwarrelden, placht hij te zeggen: ‘Beste letters en zinnen van Mia, niet gaan vliegen, jullie zijn geen bevlieging.’

Bij het schrijven focuste ze zich op het leven op de stoep voor haar raam. En op Sammy. Ze schreef langzaam, met stevige krulletters. Een paar oude Panorama’s dienden steevast als onderlegger. “Twee jongens fietsen hard over de stoep, rode jas en blauwe jas, gillend, 10.15 uur; postbode loopt voorbij, niks voor de appartementen 10.32; buurman met rollator wordt opgehaald door kleine grijze auto 12.21; koud buiten, iedereen met muts; Sammy heeft boodschappen gebracht 15.44.”


‘Papier is je beste vriend – op mij na dan’, hoort ze Sammy zeggen. Zou hij nog komen? O, ze weet heus ook wel dat Sammy niet uit liefde bij haar binnenkomt. Hij is aardig en joviaal – ‘Hé hallo schat van me, ik was in de buurt en kom effe buurten’ – maar hij is ook van voor wat hoort wat. Hij komt bij haar binnen om op te warmen, voor koffie of een biertje en voor af en toe wat extra’s. Sammy zal een jaar of 40 zijn. Hij ziet er een beetje eigenaardig uit, met zijn piekerige haar, zijn trui vol vlekken, zijn armen met schilfers en zijn mond waarin een voortand ontbreekt. Het hele huis ruikt muf en zuur als hij is geweest en naar sigaretten, maar die geuren vallen haar al lang niet meer op. Sammy leeft op straat, dat is het enige dat ze van hem weet. ‘Treurig exhibitionisme. Mijn wil is dat het een ander niet geschiede, Mia.’

Hij stond zomaar een keer voor haar raam, te roken. Ze had tegen het raam getikt en hij had iets gezegd, maar dat kon ze niet verstaan. Hij begon te gebaren en vrolijk naar haar te lachen. Ze vond hem wel vriendelijk overkomen. Uiteindelijk had ze de deur voor hem opengemaakt. En nu deed Sammy haar boodschappen. Ze gaf hem geld mee en hij gaf haar keurig de kassabon en het wisselgeld. Iedere keer stopte ze hem wat toe, meestal een paar losse euro’s of een briefje van vijf. Ze vond het prima dat Sammy de weg kende in de keuken en zichzelf met wat eten en drinken verwende. Niet voor niets liet ze hem spulletjes kopen waarvan ze wist dat hij ze lekker vond, zoals bokkenpootjes, jonge kaas en leverworst. Ook mocht hij gebruik maken van de wc en douche. Ze had hem zelfs enkele truien en broeken van haar overleden Harry gegeven.


Ze ziet de zon af en toe tevoorschijn komen en ze weet wat Sammy zou zeggen: ‘Kijk Mia, de zon neemt een trip. Hij gaat zo tikkertje spelen en de mens beschikt.’ Haar ogen dwalen over de tafel vol papier – haar ‘zwevende expositie’ volgens haar bijzondere vriend. Het is een hele verzameling kleine getuigenissen. Wie had zes jaar geleden ooit gedacht dat ze al die tijd dagelijks en in alle jaargetijden, haar wereld zou vastleggen? Af en toe had ze zichzelf bij het schrijven zelfs stiekem een beetje wijs gemaakt dat ze aan het geheugen van de buurt bouwde. En als ze de geest had, noteerde ze alles tot in detail, je wist het immers maar nooit, misschien was ze getuige geweest van iets heel belangrijks.

Sammy vindt dat al het geschrevene haar nalatenschap is. Ze hoort het hem weer zeggen, met plechtige stem: ‘Straks, dan ben jij weg, Mia, maar dan blijft dit allemaal voortbestaan, jouw eigen unieke papieren werkelijkheid.’

Elli