We reizen vanuit de Belgische Ardennen naar huis. We hebben feestdagen achter de rug met lekker eten, voldoende wijn en water, kortom … alles stroomt. Het bekende grote tankstation met parkeerplaats en eetgelegenheid zo’n 15 kilometer voor Luik, denken we wel te halen voor een noodzakelijke plaspauze. Hoewel, we hebben onze vraagtekens, want op de heenweg was al te zien dat daar verbouwd wordt. Maar er zal toch zeker wel een toiletgelegenheid zijn?
De eerste 70 kilometer verlopen rustig. Nog niks aan de hand. Gaandeweg zien we wel een paar parkeermogelijkheden. Maar die zijn voor een dame bepaald niet uitnodigend om te stoppen voor een plaspauze. De druk neemt toe.
Ik moet plassen. Ik houd mijn mond nog dicht. Niks zeggen, knijpen. Gaan die auto’s voor ons nou langzamer rijden? Ik zie remlichten, nee … toch zeker geen file? Weer knijpen. Gelukkig, het verkeer trekt weer op. Op de borden zien we de afstand tot het tankstation. Valt mee. Proberen te ontspannen.

Eindelijk, de afrit. We rijden een waar doolhof in met roodwitte linten, verbodsborden, grote hekken. Na wat kruip-door-sluip-door ontdekken we een blauw richtingsbord dat een slingerroute onthult richting restaurant. Bij de bosjes staan veel auto’s met passagiers ernaast en bij nadere inspectie blijken de meeste reizigers zich hier van hun pipi enzovoort te ontdoen. Het is er te vies voor woorden. We kunnen uit niets opmaken of de toiletten in het gebouw open zijn.
Toch maar te voet op weg om te kijken. Het eerste deel van het gebouw blijkt gewoon geopend te zijn tijdens de verbouwing. En dan zie ik een lange wachtrij wiebelige mensen die om de beurt proberen met hun betaalpas door de betaalsluis van de toiletten te komen. Het werkt niet. Ongeduld, onrust, nog eens proberen, welgemeende adviezen; kinderen en lenige mensen kruipen onder de stang van de uitgang door en lopen – illegaal – zo snel als kan de trap af naar de benedenverdieping met de wc’s. Af en toe lukt het iemand totaal onverwacht om toch normaal door de sluis te komen. Maar even later is het weer mis.
Het duurt te lang. Ik moet zó nodig dat ik zomaar ineens de stoute schoenen aantrek en een paar grote passen doe, de rij voorbij; ik zak door mijn knieën, buig mijn hoofd en rug om onder de hatelijke stang door te kruipen. Het lukt – toch profijt van de seniorengym – en ineens zie ik, terwijl ik achter de stang rechtop wil gaan staan, het gapende gat van de neergaande traptreden, vlak voor me. Niet wankelen nu; enkele bezorgde mensen in de wachtrij schrikken, schieten naar voren. Ik hoor ze roepen ‘mevrouw, mevrouw…’ en ze steken zo goed als mogelijk een handje toe. Zo aardig! Het is gelukt. Als een koningin daal ik de trap af, trots dat ik het heb gered. Ik ga recht op mijn doel af.
Ineke

