Fons Speelman zwerft op zijn gemak door de buurt met woningen die speciaal voor oudere mensen zijn gebouwd. Hij kijkt oplettend rond. Bij ouwe mensen is wat te halen, vermoedt Fons. Daarom heeft hij zijn werkterrein voor een tijdje naar hier verplaatst. Tenslotte doet verandering van spijs eten.

Speurend constateert hij dat oude mensen tegenwoordig als oud vuilbehandeld worden. Het is te gek voor woorden. Er wordt niet meer nagedacht. Compassie bestaat niet meer. Je kan je kont in die poppenwoninkjes niet keren, alsof ouderen allemaal tot kleinduimpjes krimpen. De wereld is op alle fronten krankzinnig.
Dat heeft hij zelf aan den lijve mogen ervaren na zijn scheiding. Uitgekleed hebben ze hem. Hij verwijt het zijn vrouw geeneens, maar alle instanties eromheen. Nog even en hij kan definitief op straat gaan leven. Zodra zijn kameraad terug is, is het gedaan met het tijdelijke dak boven zijn hoofd.
Stelselmatig duwt hij in het langslopen overal voorzichtig tegen de voordeur. Je weet maar nooit, want bejaarden weten het vaak zo precies niet meer. En toen hij door een van de ramen in de rij een synthesizer – haast te mooi voor woorden – zag staan, zou hij kunnen proberen binnen te komen. Al heel lang kijkt hij uit naar zo’n compact instrument. Nu heeft hij misschien beet. Hij heeft talent voor componeren, wat je op zo’n ding goed kan, maar hij heeft geen cent te makken om zoiets ooit te kunnen aanschaffen. Dit is een gouden kans, ook al weet hij zo gauw nog niet hoe hij het ding moet vervoeren en waar hij het zal laten, zeker nu zijn vriend binnenkort terugkomt.

Het is te verleidelijk. Inbreken is tegenwoordig zijn werk. Hij is er goed in, handig, efficiënt en op deze manier scharrelt hij alles wat hij per se wil hebben, bij elkaar. Nu die deur zo makkelijk opengaat, scheelt dat herrie en een hoop troep.
Maar hemelse goedheid, wat een bekrompen bedoening, denkt Fons. Zulke smalle gangen. Je zou hier zelfs met een rollator niet uit de voeten kunnen; al helemaal niet met een rolstoel. Hij maakt expres wat lawaai, maar er komt niemand op het geluid af.
Voorzichtig spiedt hij om zich heen. Hij houdt zijn adem in. Het ruikt niet bepaald fris hier. Als je op leeftijd bent, heb je natuurlijk geen zin om elke dag met een sopje rond te gaan. Het dagelijks leven kost al genoeg inspanning. Of je hebt een zoon, zoals zijn pa. Eens in de maand reddert hij de boel een beetje bij de oude man, nou ja…., de ergste troep maakt hij aan kant. In ieder geval ruikt het bij zijn vader best nog fris.
De synthesizer ziet er aardig vlekkeloos uit. Met zijn vingers strijkt hij over de knoppen en toetsen. Oké, nou ja, dat is wel een kleverige bende. Voordat hij de stekkers uit het stopcontact trekt, loopt hij voor de zekerheid nog even het zijkamertje in.
Godallemachtig. Daar ligt een man languit achterover met ontbloot onderlijf op een bank. Vliegen kruipen over het groenzwarte lichaam. Overal krioelen maden tussen de billen en rond de neus. De stank is niet te hebben.


Fons weet niet hoe snel hij zich uit de voeten moet maken. Hij loopt van schrik overal tegenop. Glaswerk rinkelt op de harde vloer. Eenmaal buiten gaat hij op normale snelheid de straat weer uit. Niemand te bekennen. Wat moet hij? Het beeld van de man staat op zijn netvlies gebrand. Hij boert, moet haast overgeven.
Zo zwerft hij door de stad, maar durft zijn stamkroeg niet binnen te gaan, bang dat hij zijn mond voorbij zal praten. De aandrang om te kotsen blijft, en hij weet zeker dat hij geen slok door zijn keel gaat krijgen. Met kloppend hart gaat hij op bed liggen. De slaap wil niet komen, wil hij ook niet, hij moet iets bedenken. Om vier uur sluipt hij als een dief in de nacht het bed uit. In de kleren, die hij niet heeft uitgetrokken voor hij ging liggen, loopt hij de straat op richting de smerissen in het centrum. Wat hij op het bureau gaat zeggen, heeft hij gerepeteerd in zijn half-slaap. Hij kreeg er zelf tranen van in zijn ogen.
‘Ik heb zelfs nog een beetje herrie gemaakt toen ik door dat huis liep. Dan had die bewoner nog alarm kunnen slaan. Maar toen ik bij de bank stond, ging ik zowat van mijn graat. Ik besefte, dat er van alarm helemaal geen sprake kon zijn. Hoe lang zou die man daar al liggen? Het stonk me daar een partij naar rottend vlees. Ik snap gewoon niet dat niet veel eerder buren aan de bel hebben getrokken. Het was maar goed dat ik daar was. Natuurlijk ben ik direct naar jullie toe gekomen. Iemand moest die arme kerel redden.’
‘Wat deed u daar nou precies? Had u het over een muziekinstrument?’
‘Ja, zo’n ding als daar stond, heb ik altijd willen hebben. Ik ben naar binnengegaan omdat ik die synthesizer van die man wilde kopen. Goed idee, want wat moet een bejaarde er nou mee? Zeg nou zelf, en ik wilde het ding dolgraag hebben.’
‘Hebben? Stelen? Begrijp ik u goed?’
‘Daar had ik het niet over. Maar desnoods. “Jatten” noemen ze dat in mijn kringen. Maar nu wil ik het helemaal niet meer hebben. Jezus, wat zielig, als je zo aan je eind bent gekomen. Hoe zijn leven ook was, dit verdient een mens niet. Het had mijn vader kunnen zijn.’
‘Ik moet hier rapport van opmaken. Laten we maar bij het begin beginnen.’ De agent gaat er eens goed voor zitten. Fons wordt kriegel.
‘Schrijf maar op, dat Fons Speelman kwam vertellen over een dooie aan de Gladiolenstraat 12, dat Speelman daar kwam om een synthesizer op te halen, maar dat hij een oud lijk vond. Verzoeke een kaartje naar A. Speelman, Koningsweg 6 te sturen met datum en tijd van de begrafenis.’

Fons Speelman was een maand later bij een ceremonie op de begraafplaats aan de Kerkhoflaan. Hij was onder de indruk van de respectvolle plechtigheid waar een bekende schrijver een gedicht voordroeg. Ze had het zelf geschreven, of ze de overledene van nabij had gekend, “… wat er achterblijft, bewaar ik…,” die paar woorden had Fons onthouden.
Bij de koffie na afloop kwam hij te weten, dat als de Gemeente te maken krijgt met een dode van wie volstrekt geen nabestaanden te vinden zijn, zij verplicht zijn een uitvaart te organiseren en dat zij ook de kosten daarvoor dienen te dragen. Fons had in het algemeen niet zo’n hoge pet op van overheidsinstanties, maar dit vond hij toch een mooie regel.
Goh, dacht hij, ik ben er de reden voor dat er stilgestaan wordt bij het leven van een mens, van een man zonder kind of lief. Zo kan het per slot met mij ook nog wel eens gaan.
Emmy
