‘Kom, leg Uw hand op dit papier, mijn huid ‘ Dit zinnetje uit het gedicht Voor wie dit leest (1949) van Leo Vroman las en hoorde ik voor het eerst op een zaterdagmorgen in 1965, mijn eindexamenjaar.
Het atelier Ze veegde met de rug van haar rechterhand haar neus af – een gewoontegebaar- en keek vanaf de veranda naar haar herfsttuin.
De kracht van het woord In het voorbijgaan hoor ik het haar tegen haar zoon zeggen. De jongen had een probleem bij het klussen en besprak dit met haar….
Wat mama niet vertellen kon ‘Dit is mijn verleden en niet het jouwe, daar heb jij niets mee te maken!’
Het water komt ‘Mamma, mamma, waar ben je?’ Ik hoor het hartverscheurende stemmetje van een kleine jongen die alleen is achtergebleven in de boerderij.
Metgezel Zodra ik ’s morgens opsta ben je mijn onmisbare metgezel. De hele dag door, bij alles wat ik doe, ga je met me mee.