Op een prachtige lentedag besluit ik een wandelingetje te maken over het kerkhof achter de Martinuskerk. Het is een mooie begraafplaats waar veel wilde bloemen een kans hebben. In het hoog opgroeiende gras zijn looppaden langs de graven gemaaid. Prachtige oude beuken zorgen nu voor schaduw en de vele jonge beuken zullen dat straks doen als onze kleinkinderen ook ooit dit park bezoeken. Want een wandelpark zo mag je deze plek wel noemen. Wandelen is trouwens niet verplicht hoor; je kunt ook gewoon lekker op een bankje gaan zitten om wat te lezen. Ondertussen kun je genieten van het gekwinkeleer van ontelbare vogels. Voor deze zangers zijn vogelhuisjes opgehangen in de talrijke bomen op en rond het kerkhof. Ik heb niet veel anders te doen, neem de kans waar en ga zitten om gewoon een beetje rond te kijken. Het is heerlijk rustig, ook al zie ik hier en daar mensen lopen met spullen om een graf te verzorgen. Aan het eind van het looppad waarop ik uitkijk, zit een vrouw op haar knieën voor een graf. Verwoed rukt ze onkruid weg. Ik snap die boosheid wel, maar die kant wil ik met mijn gedachten niet op. Het is allemaal al veel te lang geleden en bovendien: het is vandaag zo’n schitterende dag vol leven en toekomst.
Een magere, zeer oude man – ik zie hem wel vaker de weg oversteken van de oude pastorie richting de kerk – zet zonder aarzelen koers naar een graf in een van de eerste rijen, direct achter de kerk. Dat zal het graf van zijn vrouw zijn, denk ik. Daarheen is hij dus op weg, als ik hem de oversteek zie maken. Verder weg, aan de rand van het kerkhof over het pad vlakbij de wiel, fietst een man met een bezem over zijn schouder. Die durft, met maar één hand aan het stuur. Hij is duidelijk op weg om de zaak eens een flinke voorjaarsbeurt te geven. Ik sta op en wandel verder.
Plots valt me het constante gezoem van vele insecten op. Er is hier genoeg voedsel te vinden. Hun vondsten brengen ze naar een schitterend insectenhotel aan het begin van een van de rijk omzoomde looppaden.
Als ik blijf staan om zo’n appartementencomplex voor bijen, wespen en soortgenoten eens van dichtbij te bekijken, zie ik waarvoor die lekkere stuifmeelhapjes bedoeld zijn. De een na de andere bij of wesp – of wat het ook voor een zoemend wezen is – verdwijnt in een gaatje en komt er even later weer uit om verder te gaan met foerageren. Hun eitjes hebben bij het uitkomen direct veel voedsel nodig. Er wordt flink aan de toekomst gewerkt op deze laatste rustplaats.

Ik kom bij de uiterste rand van het park. Och, daar was die man op de fiets met de bezem over zijn schouder op weg naar toe. Ik zie de fiets geleund tegen een boom bij het graf staan. De eigenaar geeft met zijn bezem het middelste van drie strak vormgegeven graven een fikse beurt. Een klein vegertje voor de hoekjes en een volle gieter met water voor de bloempotten staan voor the finishing touch te wachten op het eerste graf. De wat oudere man onderbreekt zijn werk. Hij heeft zo te zien wel zin in een praatje. Daar houd ik ook wel van. Ik weet dat mensen makkelijk tot een gesprekje te verleiden zijn, als ze met de verzorging van het graf van een geliefde bezig zijn.

Ik kan het dus niet nalaten om bij hem te blijven staan en het gesprek te openen met het openingszinnetje: ‘Ze liggen er weer netjes bij.’
De man doet nog een laatste veegje en strekt dan zijn rug. Hij kijkt me eens onderzoekend aan en waagt het erop: ‘Daar ligt mijn vriendin.’
Ik kijk wat beter naar de fraaie, glanzend schone grafsteen en lees de namen van een man en een vrouw.
Razendsnel schieten de veronderstellingen en conclusies door mijn brein: de man met de bezem is bevriend geraakt met de vrouw onder die steen nadat ze weduwe is geworden. Ze hebben niet lang van die tweede kans kunnen genieten, zie ik, gelet op de verschillende data. En ze had blijkbaar een plaatsje gereserveerd bij haar eerste man. Lief van haar tweede-kans-geliefde om hun beider graf mooi te houden. Maar wat ik allemaal zo in een flits bij elkaar verzin en denk, zeg ik natuurlijk niet hardop.
In plaats daarvan vertel ik hem dat ik zo geniet van alles wat bloeit, leeft en kwinkeleert hier in het park. Dat het in de lente zo mooi is, zo veel kleuren groen, zo’n druk gefladder en gefluit door de vogels en gezoem door de bijen. En terwijl ik zo bezig ben, zie ik in zijn ogen belangstelling ontstaan; niet voor de bloemen en de bijen maar voor de vrouw voor zijn neus die daar zo enthousiast staat te vertellen. O jee, schiet het door me heen. En jawel, ik vergis me niet. De man gaat nog wat rechter staan, verplaatst de bezem naar zijn andere hand en reageert op mijn lofzang op het kerkhof en de lente met de woorden: ‘Ge bent een leuke vrouw.’
Zonder een ogenblik na te denken antwoord ik op die ontboezeming met: ‘Ja, vind ik ook. Maar weet je: ik heb drie mannen begraven en ik begin er niet meer aan.’
De man: ‘Jammer, want ik zoek een leuke vriendin om mee te fietsen en te wandelen’.
Ik moet lachen: ‘Nou, dat was wel een heel snelle date. Ik wandel eens verder.’
‘Toch jammer,’ sluit hij onze conversatie af.
Lachend nemen we afscheid. De man pakt het vegertje en ik ga nog even een kijkje nemen op het oude stuk kerkhof met de monumentale graven van een eeuw geleden. Ook mooi om tussendoor te wandelen. En er is niemand aan het vegen.
Margreet

