Voortborduren

Nicolien had als kind met veel plezier leren borduren. Mede daarom bleven haar ogen haken aan een klein advertentietje, waarin onafgemaakte borduurwerken werden aangeboden, op te halen in Gouda. Borduren…. Bij het woord was ze meteen terug bij de saamhorige uurtjes met oma. Op grof doek werkten ze met een grote naald en dik garen en ze maakten een hele dierentuin, alle dieren in een eigen lijstje. Oma deed natuurlijk het meeste. Nicolien was niet zo handig. Ze vond de wonderlijke zinnetjes van haar oma onder het borduren nog het spannendst. Ze hoorde haar oma bij voorbeeld mompelen: ‘Jouw lange nek, giraffe, zal mij laten zien wat me niet mag ontgaan.’ Het leek wel een gebed, dacht Nicolien. 

Op de MMS, stond tot haar verdriet handwerken nog steeds gewoon op het lesrooster. De opdracht in de eerste klas: IJspret. Witte ondergrond, splijtgaren in de primaire kleuren en verzinnen maar aan de hand van summiere kruissteekpatroontjes. Ze bakte er niet veel van. Gelukkig vond zus Elsbeth het leuk werk en die deed iedere week haar huiswerk. Geregeld verzon Nicolien een smoes als ze haar werk onder de les weer eens had verprutst en de strengen borduurgaren op haar tafel een regelrechte ramp waren geworden.

De lerares moest toegeven dat ze bewondering had voor de fantasie van het meisje. Hoe makkelijk  dat kind uitvluchten bedacht: ‘Ja, mevrouw, ik had dit jongetje eerst met de schaatsen nog over zijn schouder uitgebeeld. Maar ja, dan stond hij op een heel verkeerde plaats, midden tussen de schaatsende kinderen, ze zouden over hem vallen. Dus: ik heb hem maar weer uitgehaald.’ Dat uithaalwerk had een smoezelige vlek achtergelaten.


De lerares pulkte er behendig met pink en duim nog wat draadjes uit. ‘Zo, nou kan je thuis verder. Zet ‘m op.’

Het huiswerk was echt thuiswerk, vermoedde de docent: moeder of zusjes zouden het klusje wel voor hun rekening nemen. De lerares hoopte wel dat de MMS-klas, die twee aaneengesloten uren per week, een beetje ontspanning vond tijdens haar les. Er was lekker tijd voor de meisjes om te kletsen en ze hadden bedacht dat onder het handwerken een uurtje voorlezen ook best fijn was. Haar slechtste leerling kon dat dan weer als de besten, ze had een prettige stem. Ze moest erkennen dat de boeken die de meisjes kozen voor haar ook interessant waren. To kill a mockingbird (Spaar de spotvogel), was er één. En er was het intrigerende boek van Iris Murdoch, De Klok, over een groep mensen die op verhaal komt in een soort klooster. Voor het eerst komt homoseksualiteit ter sprake. Het leidt tot voorzichtig aftastende gesprekken. En tot aanvankelijke schrik van de lerares, komt zij er ook niet onderuit over dit heikele onderwerp haar mening te geven. ‘Kent u mensen van dezelfde soort die met elkaar leven?’ durft Nicolien haar te vragen. En toen heeft ze, zomaar, zonder veel nadenken, verteld dat zij helemaal niet samen met haar zus in het grote huis op de hoek naast de school woont. ‘Iedereen denkt dat wij zusjes zijn. Wij zijn geen familie. Ik houd zielsveel van Lisa. We zijn een stel.’ Er is nooit over geroddeld op school. Het bleef het geheim van de klas en hun handwerklerares.

Nicolien heeft het pakket in Gouda opgehaald. Ze had er een dagje uit van gemaakt en uit nostalgie koffie gedronken op de Markt bij restaurant De Zalm, zoals ze dat lang geleden met haar zusje deed. Ze stelde het bezoek aan het adres met de onafgemaakte handwerken ermee uit. Waar was ze aan begonnen? Bij de Zalm zag ze zichzelf met Elsbeth aan de appeltaart zitten, pratend over ditjes en datjes en giechelend om voorbijgangers die hun nek verdraaiden bij het zien van het stadhuis met de trappen en de rood-witte luiken. Bij het opgegeven adres kreeg ze een enorm krat met restjes kaasdoek, telpatronen en lappen voorgedrukt canvas mee én de allerliefste adviezen die je je maar wensen kon. ‘En dat krat hoort erbij, hoor. Kun je het allemaal makkelijk bewaren.’

Nu zit ze met de inhoud voor zich op de grond en zucht. Toch, ze had er een bedoeling mee. Daar moest ze nu niet voor weglopen. Het borduren had ze – intussen een jaar of dertig geleden – weer opgepakt, toen ze in een volkomen apathische toestand met een depressie thuis zat. ‘Ga wat doen, geef je leven kleur,’ had één van de vele therapeuten, die toen op haar weg kwamen, haar aangeraden. En ze was aarzelend kruissteekjes gaan borduren. Het tellen, het garen splitsen, kleuren kiezen had haar hoofd anders laten bezigzijn. Het had haar in zijn greep. Geen gepieker, maar vergelijken van kleurvarianten.

Hoeveel kleuren blauw waren er wel niet? Wolkblauw, pauwblauw, nachtblauw, kobaltblauw. Binnen de kleur vertoeven, dwingt je tot discipline om dingen te begrijpen, had ze ervaren; vooral dat blauw had dat effect. Niet alleen met borduren, ook bij het werken met pastelkrijt en waterverf. Het had haar geest geopend. Ze hielp anderen ontdekken wat het je brengt.

Ineens was er nu wéér een aanleiding om de draad op te pakken en voort te borduren op het patroon van vrijheid en ruimte. Borduren kan daarbij troostend en verhelderend zijn, genezend. Vandaar dat die advertentie haar aandacht had getrokken.
In de stapels voor haar zocht ze de rafelige resten bij elkaar. Het verdriet en de pijn liet ze hun weg vinden tussen de draden, van kleur naar kleur, van kruis naar kruis.
Ze had herontdekt dat je een wanhopige toestand kon omzetten in een kracht. Door jezelf eerst te verliezen, kun je jezelf verrassen en overtreffen.
Ze stond op. Ze wist het.
Ze draaide haar werk nog eens om. Ze voelde niet de behoefte losse draden aan- of af te hechten. Laat het maar op zijn beloop. Zo is het van mij. Zo mag het van mij.

Emmy