Nu ging het toch echt gebeuren. Achter Trudy aan was hij de trap van het toestel van Swissair opgelopen en hij had bij binnenkomst de gastvrouw voor de komende twee uur uitbundig gegroet. Voor hem vormde zij de directe verbinding met de piloot in wiens handen hij zijn lot nu ging leggen. De eerste keer vliegen. Hij verheugde zich er enorm op, maar vond het ook bijna ondraaglijk spannend. Die tegenstrijdigheid was veel te veel voor hem en hij drukte die verwarring weg. Dat had hij wel geleerd het laatste jaar: wegdrukken.
Trudy had intussen al hun rugzak weggeborgen en stond ongeduldig bij hun rij op hem te wachten. Ze wees hem waar hij moest gaan zitten: aan het raampje. Moeizaam manoeuvreerde hij zich naar zijn zitplaats. Trudy kwam naast hem zitten en deed hem voor hoe hij de veiligheidsriem moest vastmaken. Daarna pakte ze haar boek en verdween in haar eigen wereld.
Hij schurkte zich tegen de rugleuning, probeerde hoe ver hij zijn benen kon strekken, sloot zijn ogen en probeerde zijn adem onder controle te krijgen. Ook dat was een van de dingen die hij geleerd had. Na tien tellen opende hij zijn ogen en voorzichtig schoof hij zijn paarse, door Trudy gehaakte keppeltje wat meer over het litteken en de deuk aan de linkerkant van zijn hoofd. Een paar vlassige pieken dofzwart haar verstopte hij achter zijn oren. Dat was een gewoontegebaar en bij die handeling vroeg hij zich vaak af hoe de beschadigde binnenkant van zijn kop er uit zou zien.
Hij legde zijn hoofd tegen de antimakassar – waar kwam dat woord nu ineens vandaan? – met het logo van Swissair die over de rugleuning van de vliegtuigstoel hing en waagde een voorzichtige blik door het kleine vliegtuigraam naar buiten. Rustig achterovergeleund draaide hij zijn hoofd nu helemaal naar links en zag tot zijn vreugde dat hij ver genoeg achter de vleugel zat om, als ze straks vlogen, zicht te hebben op wat er beneden zich zou voordoen.
Maar voor het zover was, trok de stewardess zijn aandacht. Met zijn ogen wijd open keek hij naar wat die vriendelijke vrouw in een geel hesje voor in het vliegtuig stond te gebaren en te vertellen, maar de betekenis drong niet tot hem door. Soms had hij dat: dan zag en hoorde hij de mensen praten, maar had hij geen idee wat hij met die geluiden moest. Dat was gelukkig niet altijd zo. Hij zag dat het meisje klaar was, het gele hesje uitdeed, opborg en braaf op haar stoeltje voor in het vliegtuig ging zitten. Het vliegtuig was inmiddels begonnen met een rijtoer over de startbaan en nog voor dat goed tot hem doorgedrongen was, “trapte de piloot het gaspedaal helemaal in”. Het vliegtuig ontwikkelde razendsnel vaart en voordat hij er erg in had, kwam het los van de grond. Nú moest hij naar buiten kijken.

Het was onbewolkt en hij zag nog net het verkeer op de A10 onder zich. Het toestel maakte een bocht en zijn stad verdween. Voor het eerst sinds maanden voelde hij zich onbekommerd – mooi woord trouwens – en licht. Even keek hij opzij naar zijn vrouw, die zoals altijd verdiept was in haar boek. Gauw richtte hij zijn blik weer naar buiten en hij zag tientallen glinsterende sloten en plassen. Nederland waterland, schoot het door hem heen.
Hij zuchtte diep en sloot zijn ogen. Letterlijk op vleugels gedragen; wat voelde dat zorgeloos en vrij. Hij liet zijn gedachten hun eigen weg gaan. In zijn dromen vloog hij wel vaker. Dat waren fijne dromen waarin alles mogelijk was. Hij vloog en volgde daarbij het stratenpatroon. Hij herinnerde zich zo’n droomvlucht waarin hij boven tram 4 vloog, mee over het Rembrandtplein, de bocht om richting de brug over de Prinsengracht en vervolgens de Utrechtsestraat in. Verder ging zijn droom niet. Gek dat hij zoveel uit zijn leven van voor de operatie kwijt was, maar dat droomvliegen niet. Laatst droomde hij ook zo fijn; ook iets wat hij in het echt wel zou willen, maar niet meer kon. Hij fietste keihard door de stad op weg naar de boekhandel; dwars over de trambaan flitste hij, snoeihard tussen geparkeerde auto’s en de tram door, op het scherp van de snede nam hij een bocht naar links. Die boekhandel was geen doel meer; er was alleen nog maar dat onbezorgde fietsen en de wind in zijn haren.
Maar hij moest nu kijken en niet wegdromen. Hij opende zijn ogen en …WOW: de zee, het strand, de duinen en dat daar; dat moest De Nieuwe Waterweg en Rotterdam zijn.
Blij draaide hij zich naar rechts om zijn enthousiasme met zijn vrouw te delen.
Maar Trudy was boven haar boek in slaap gevallen. Ze deelden niet meer zoveel.
Margreet

